Maken van zinnen lijkt zo vanzelfsprekend, voor de kinderen in de schakelklas is dat niet zo.

In de klas maken wij gebruik van kleuren. Deze manier van werken komt uit de methodiek:
“Zien is snappen”.

Wie (personen) woorden worden met geel gemarkeerd.
Wat (dieren en dingen) in bruin.
Doet (werkwoorden) in rood
Wanneer (tijd) in oranje
Waar (plek/plaats) in paars
Hoeveel (tellen) in groen

Ook met het Boek van Nu maken we gebruik van de kleuren. Over wie of wat gaat het boek, wanneer speelt het verhaal zich af, wat doen ze en waar gebeurt het etc..

klank2

boek van nu

 

Zij leren d.m.v. vertelkubussen en vertelplaten een goede zin te maken. Ook met de vertelkubussen maken we gebruik van de kleuren.

De kinderen leren dat je een zin begint met wie/wat?, daarna wat doen ze? en als uitbreiding waar gebeurt het?. In het loop van het jaar zullen de zinnen steeds langer worden en zal de volgorde van de zin gaan variëren.

Het is belangrijk dat de kinderen de leren dat voor een zelfstandig naamwoord een lidwoord hoort. De het-woorden moeten worden aangeleerd. Als we tijdens een thema het-woorden leren gaan ze in de het-doos (ook in het geel/bruin corresponderend met wie/wat). Tijdens allerlei taalspelletjes oefenen we deze woorden nog eens extra. De het-woorden worden allemaal voorzien van een rode sticker. Op het raam zit een rode sticker, op het plafond, op het fornuis etc..

klank3