Schakelklas

Juf Josephine Mettendaf is de leerkracht van de schakelklas.

In de schakelklas zitten kinderen uit groep 2. Zij zitten op maandag en dinsdag in de schakelklas en woensdag, donderdag en vrijdag in hun reguliere groep. De kinderen in de schakelklas krijgen extra ondersteuning op het gebied van taal.
In de schakelklas spelen de kleuters – net als in de reguliere kleutergroepen – met allerlei ontwikkelingsmaterialen. We hebben een bouwhoek, een huishoek/themahoek, een leeshoek en een klankhoek.
Wij werken met dezelfde thema’s als de kleutergroepen met als doel de woordenschat van de kinderen te vergroten. Op de thematafel verzamelen we bij elk thema voorwerpen en boeken, die de kinderen zelf meenemen. Dit jaar zijn we begonnen met het werken met de methode LOGO3000. Hier horen onder andere hele mooie themaplaten bij.
Binnen elk thema werken we een aantal vaste punten af, de routines. Zo hebben we bij elk thema een “boek van nu” dat vaak als uitgangspunt voor het thema dient. Wij hebben elke dag een “woord van de dag” d.m.v. een woordcluster van LOGO3000, waar we die dag extra aandacht aan besteden. Een “klank van nu”, waar we woorden mee bedenken.
We spreken alle letters uit “zoals ze klinken in een woord”, dus tegen de /w/ zeggen we geen “wee”, maar “wuh”. Zo is het voor ons straks veel makkelijker om te leren lezen. We zingen veel liedjes en bij elk thema leren we een versje.

De deur staat altijd open! U bent van harte welkom om een keer te komen kijken tijdens een les.

Woordenschat

In de schakelklas besteden we veel aandacht aan woordenschatuitbreiding.
We werken veel met prentenboeken. Tijdens elk thema staat er 1 boek centraal.
Dit boek noemen we “Het Boek van Nu”.
Bij het prentenboek maken we een verteltafel. Zo oefenen de kinderen de woorden, de zinnen en het verloop van het boek spelenderwijs.

Ook hebben we af en toe vertelplaten van het boek in het vertelkastje. Ook hiervoor geldt, dat de kinderen de woorden, zinnen en het verloop van het boek spelenderwijs oefenen.

In de klas is een woordmuur waren de woorden hangen van het thema. De woorden worden geclusterd in de woordparachute, de woordkast, de woordtrap of de woordspin.
Tot slot maken we gebruik van de woordenschatmethode “LOGO3000”. Elke dag staat er een cluster centraal. Dit noemen we “Het Woord van de Dag”. Deze methode maakt ook gebruik van de woordparachute, de woordtrap, de woordkast en de woordspin. Op de computer kunnen de kinderen de aangeboden woorden inoefenen met LOGOdigitaal.

Klank van nu

In de schakelklas staat elke 2 weken een klank centraal. De klank van nu.
De klank wordt altijd in het roze aangegeven op een grijze achtergrond.
Hierdoor maken we een onderscheid tussen de leesletters (vaak zwarte letters) en de klanken.

De leerlingen leren de klank uit te spreken. De klank a en aa uitspreken is voor ons gewoon en dat doen wij Nederlands talige mensen onbewust goed. Maar kinderen en volwassenen die de Nederlandse taal, als tweede taal verwerven vinden het uitspreken van de Nederlandse klanken heel lastig. Zij kennen in hun taal bepaalde klanken niet, vooral onze klinkers zorgen voor problemen.
Door de leerlingen vroeg de klanken van de klinkers/medeklinkers aan te leren, voorkom je problemen bij het leren lezen in groep 3. De kinderen leren bewust te worden van de houding van de mond, kaak en tong bij het uitspreken van een bepaalde klank.

Zinsbouw

Maken van zinnen lijkt zo vanzelfsprekend, voor de kinderen in de schakelklas is dat niet zo.In de klas maken wij gebruik van kleuren. Deze manier van werken komt uit de methodiek: “Zien is snappen”.
Wie (personen) woorden worden met geel gemarkeerd.
Wat (dieren en dingen) in bruin.
Doet (werkwoorden) in rood
Wanneer (tijd) in oranje
Waar (plek/plaats) in paars
Hoeveel (tellen) in groen
Ook met het Boek van Nu maken we gebruik van de kleuren. Over wie of wat gaat het boek, wanneer speelt het verhaal zich af, wat doen ze en waar gebeurt het etc..

Zij leren d.m.v. vertelkubussen en vertelplaten een goede zin te maken. Ook met de vertelkubussen maken we gebruik van de kleuren.
De kinderen leren dat je een zin begint met wie/wat?, daarna wat doen ze? en als uitbreiding waar gebeurt het?. In het loop van het jaar zullen de zinnen steeds langer worden en zal de volgorde van de zin gaan variëren.
Het is belangrijk dat de kinderen de leren dat voor een zelfstandig naamwoord een lidwoord hoort. De het-woorden moeten worden aangeleerd. Als we tijdens een thema het-woorden leren gaan ze in de het-doos (ook in het geel/bruin corresponderend met wie/wat). Tijdens allerlei taalspelletjes oefenen we deze woorden nog eens extra. De het-woorden worden allemaal voorzien van een rode sticker. Op het raam zit een rode sticker, op het plafond, op het fornuis etc..